DIFSTAL – (DIEFSTAL EN AFPERSING VAN KERNMATERIAAL).

 

TITEL IX. – MISDADEN EN WANBEDRIJVEN TEGEN EIGENDOMMEN.

HOOFDSTUK I. – DIEFSTAL EN AFPERSING.

Art. 461. Hij die een zaak die hem niet toebehoort, bedrieglijk wegneemt, is schuldig aan diefstal. (Met diefstal wordt gelijkgesteld het bedrieglijk wegnemen van andermans goed voor een kortstondig gebruik.)

Art. 462. Diefstallen gepleegd door een gehuwde ten nadele van zijn echtgenoot, door een weduwnaar of een weduwe wat zaken betreft die aan de overleden echtgenoot hebben toebehoord, door afstammelingen ten nadele van hun bloedverwanten in de opgaande lijn, door bloedverwanten in de opgaande lijn ten nadele van hun afstammelingen, of door aanverwanten in dezelfde graden, geven alleen aanleiding tot burgerrechtelijke vergoeding. Ieder ander persoon die aan deze diefstallen deelneemt of die de gestolen voorwerpen of een gedeelte ervan heeft, wordt gestraft alsof de vorige bepaling niet bestond.

AFDELING I. – DIEFSTAL ZONDER GEWELD OF BEDREIGING.

Art. 463. Diefstallen, in dit hoofdstuk niet nader omschreven, worden gestraft met gevangenisstraf van een maand tot vijf jaar en met geldboete van zesentwintig frank tot vijfhonderd frank. (In het geval bedoeld bij artikel 461, tweede lid, bedraagt de gevangenisstraf echter niet meer dan drie jaren.)

Art. 464. De gevangenisstraf is ten minste drie maanden, indien de dief een dienstbode of een loondienaar is, zelfs wanneer hij de diefstal gepleegd heeft ten nadele van andere personen dan die welke hij diende, maar die zich bevonden hetzij in het huis van de meester, hetzij in het huis waar hij hem vergezelde, of indien de dief een werkman, gezel of leerling is, die de diefstal heeft gepleegd in het huis, het werkhuis of het magazijn van zijn meester, of ook indien de dief een persoon is die gewoonlijk arbeid verricht in de woning waar hij gestolen heeft.

Art. 465. In de gevallen van de vorige artikelen kunnen de schuldigen bovendien worden veroordeeld tot ontzetting van rechten overeenkomstig artikel 33 (…).

Art. 466. Poging tot een van de diefstallen, in de vorige artikelen vermeld, wordt gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot drie jaar en met geldboete van zesentwintig frank tot driehonderd frank.

Art. 467. Diefstal wordt gestraft met opsluiting : Indien hij gepleegd wordt door middel van braak, inklimming of valse sleutels; Indien hij gepleegd wordt door een openbaar ambtenaar door middel van zijn ambtsbediening; Indien de schuldigen of een van hen de titel of de kentekens van een openbaar ambtenaar aannemen of een vals bevel van het openbaar gezag inroepen.

AFDELING II. – DIEFSTAL DOOR MIDDEL VAN GEWELD OF BEDREIGING GEPLEEGD EN AFPERSING.

Art. 468.  Hij die een diefstal pleegt door middel van geweld of bedreiging, wordt gestraft met opsluiting.

Art. 469. Met diefstal gepleegd door middel van geweld of bedreiging wordt gelijkgesteld het geval waarin de dief op heterdaad betrapt wordt en geweld of bedreigingen gebruikt hetzij om in het bezit van de weggenomen voorwerpen te kunnen blijven, hetzij om zijn vlucht te verzekeren.

Art. 470. Met de straffen, bij het artikel 468 bepaald, wordt gestraft alsof hij een diefstal met geweld of bedreiging had gepleegd, bij die met behulp van geweld of bedreiging afperst, hetzij gelden, waarden, roerende voorwerpen, schuldbrieven, biljetten, promessen, kwijtingen, hetzij de ondertekening of de afgifte van enig stuk dat een verbintenis, beschikking of schuldbevrijding inhoudt of teweegbrengt.

Art. 471. In de gevallen van de artikelen 468, 469 en 470 is de straf de ops luiting van tien jaar tot vijftien jaar : indien het misdrijf wordt gepleegd door middel van braak, inklimming of valse sleutels; indien het misdrijf wordt gepleegd door een openbaar ambtenaar door middel van zijn ambtsbediening; indien de schuldigen of een van hen de titel of de kentekens van een openbaar ambtenaar aannemen of een vals bevel van het openbaar gezag inroepen; indien het misdrijf gepleegd wordt bij nacht; indien het misdrijf gepleegd wordt door twee of meer personen; indien de schuldige, om het misdrijf te vergemakkelijken of zijn vlucht te verzekeren, gebruik maakt van een voertuig of enig ander al of niet met een motor aangedreven tuig.

Art. 472.  In de gevallen van de artikelen 468, 469 en 470 is de straf de opsluiting van vijftien jaar tot twintig jaar : indien het misdrijf wordt gepleegd onder twee van de in artikel 471 vermelde omstandigheden; indien wapens of op wapens gelijkende voorwerpen worden gebruikt of getoond, of indien de schuldige doet geloven dat hij gewapend is; indien de schuldige, om het misdrijf te plegen of zijn vlucht te verzekeren, gebruik maakt van weerloos makende of giftige stoffen; indien de schuldige, om het misdrijf te vergemakkelijken of zijn vlucht te verzekeren, gebruik maakt van een voertuig of enig ander al of niet met een motor aangedreven tuig, dat verkregen is door een misdaad of een wanbedrijf; indien de schuldige, om het misdrijf te vergemakkelijken of zijn vlucht te verzekeren, gebruik maakt van een motorvoertuig of enig ander met een motor aangedreven tuig voorzien van kentekens of toestellen waardoor verwarring kan ontstaan met een motorvoertuig of enig ander met een motor aangedreven tuig van de ordediensten.

Art. 473. In de gevallen van de artikelen 468, 469, 470 en 471 is de straf (opsluiting) van vijftien jaar tot twintig jaar, indien het geweld of de bedreiging, hetzij een ongeneeslijk lijkende ziekte, hetzij een blijvende fysische of psychische ongeschiktheid, hetzij het volledig verlies van het gebruik van een orgaan, hetzij een zware verminking ten gevolge heeft.  Dezelfde straf wordt toegepast, indien de boosdoeners de personen (hebben onderworpen aan de handelingen bedoeld in artikel 417ter, eerste lid.)  In de gevallen van artikel 472 wordt de straf op levenslange dwangarbeid gebracht.

Art. 474.  Indien het geweld of de bedreiging gepleegd wordt zonder het oogmerk om te doden, en toch de dood veroorzaakt, worden de schuldigen veroordeeld tot (opsluiting van twintig jaar tot dertig jaar).

Art. 475. Doodslag, gepleegd om diefstal of afpersing te vergemakkelijken of om de straffeloosheid ervan te verzekeren, wordt gestraft met (levenslange opsluiting).

Art. 476. De straffen, bij de artikelen 473 en 474 bepaald, worden zelfs dan toegepast wanneer de voltooiing van de diefstal of van de afpersing wordt verhinderd door omstandigheden, onafhankelijk van de wil van de schuldigen.

AFDELING IIbis. – (DIEFSTAL EN AFPERSING VAN KERNMATERIAAL).

Art. 477. Diefstal van kernmateriaal wordt gestraft met opsluiting.

Art. 477bis. De diefstal van kernmateriaal wordt gestraft met dwangarbeid van tien jaar tot vijftien jaar : 1° indien hij gepleegd wordt door middel van geweld of bedreiging; 2° indien hij gepleegd wordt door middel van braak, inklimming of valse sleutels; 3° indien hij gepleegd wordt door een openbaar ambtenaar door middel van zijn ambtsbediening; 4° indien de schuldigen of een van hen de titel of de kentekens van een openbaar ambtenaar hebben aangenomen of een vals bevel van het openbaar gezag hebben ingeroepen. Art. 477ter. (Zie NOTA 1 onder TITEL) <W 17-04-1986, art. 2> Afpersing van kernmateriaal door middel van geweld of bedreiging wordt gestraft met dwangarbeid van tien jaar tot vijftien jaar.

Art. 477quater. Met diefstal of afpersing van kernmateriaal, gepleegd door middel van geweld of bedreiging, wordt gelijkgesteld het geval waarin de dief of de afperser op heterdaad betrapt, geweld heeft gepleegd of bedreigingen heeft geuit, ofwel om het ontvreemde kernmateriaal in zijn bezit te houden, ofwel om zijn vlucht te dekken.

Art. 477quinquies. De diefstal of de afpersing van kernmateriaal gepleegd door middel van geweld of bedreiging, alsmede het feit bedoeld in artikel 477quater; worden gestraft met dwangarbeid van vijftien tot twintig jaar : 1° indien zij gepleegd worden door middel van braak, inklimming of valse sleutels; 2° indien zij gepleegd worden door een openbaar ambtenaar door middel van zijn ambtsbediening; 3° indien de schuldigen of een van hen de titel of de kentekens van een openbaar ambtenaar aannemen of een vals bevel van het openbaar gezag inroepen; 4° indien zij gepleegd worden bij nacht; 5° indien zij gepleegd worden door twee of meer personen; 6° indien de schuldige, om de afpersing te vergemakkelijken of zijn vlucht te verzekeren, gebruik maakt van een voertuig of enig ander al dan niet met een motor aangedreven tuig.

Art. 477sexies.  § 1. De diefstal of de afpersing van kernmateriaal met behulp van geweld of bedreiging alsmede het feit bedoeld in artikel 477quater, worden gestraft met levenslange dwangarbeid : 1° indien zij gepleegd worden onder twee van de omstandigheden vermeld in artikel 477quinquies; 2° indien wapens of op wapens gelijkende voorwerpen worden gebruikt of getoond, of indien de schuldige doet geloven dat hij gewapend is; 3° indien de schuldige, om het feit te plegen of zijn vlucht te verzekeren, gebruik maakt van weerloosmakende of giftige stoffen; 4° indien de schuldige, om het feit te vergemakkelijken of zijn vlucht te verzekeren, gebruik maakt van een gestolen voertuig of enig ander al dan niet met een motor aangedreven gestolen tuig; 5° indien de schuldige, om het feit te vergemakkelijken of zijn vlucht te verzekeren, gebruik maakt van een motorvoertuig of enig ander met een motor aangedreven tuig voorzien van kentekens of toestellen waardoor de verwarring kan ontstaan met een motorvoertuig of enig ander met een motor aangedreven tuig van de ordediensten. § 2. Dezelfde feiten worden gestraft met dezelfde straf : 1° indien het geweld of de bedreiging, hetzij een ongeneeslijk lijkende ziekte, hetzij een blijvende lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid, hetzij het volledig verlies van het gebruik van een orgaan of een zware verminking heeft veroorzaakt; 2° (indien de boosdoeners de personen aan de handelingen bedoeld in artikel 417ter, eerste lid, hebben onderworpen); 3° indien het geweld of de bedreiging gepleegd zonder het oogmerk te doden, toch de dood heeft veroorzaakt. § 3. De straf bepaald bij § 2 wordt zelfs dan toegepast wanneer de voltooiing van de diefstal of van de afpersing wordt verhinderd door omstandigheden, onafhankelijk van de wil van de schuldigen.

AFDELING III. – (BETEKENIS VAN SOMMIGE IN DIT WETBOEK VOORKOMENDE UITDRUKKINGEN).

Art. 478. Diefstal bij nacht is de diefstal gepleegd meer dan een uur voor zonsopgang en meer dan een uur na zonsondergang.

Art. 479. Als bewoond huis wordt beschouwd elk gebouw, appartement, verblijf, loods, elke zelfs verplaatsbare hut of elke andere gelegenheid die tot woning dient.

Art. 480. Als aanhorigheden van een bewoond huis worden beschouwd de binnenplaatsen, neerhoven, tuinen en alle andere besloten erven, alsook de schuren, stallen en alle andere bouwwerken die zich daarin bevinden, onverschillig waarvoor zij gebruikt worden, zelfs wanneer zij een afzonderlijke ruimte vormen binnen de algemene omheining.

Art. 481. Verplaatsbare omheiningen, bestemd om vee in het open veld ingesloten te houden, op welke wijze ook gemaakt, worden als aanhorigheden van een bewoond huis beschouwd, wanneer zij staan op hetzelfde stuk grond als de verplaatsbare hutten of andere schuilplaatsen, bestemd voor de veehoeders.

Art. 482. Onder het woord wapens worden begrepen de voorwerpen, bedoeld in artikel 135 van dit wetboek.

Art. 483. Onder geweld verstaat de wet daden van fysieke dwang gepleegd op personen. Onder bedreiging verstaat de wet alle middelen van morele dwang door het verwekken van vrees voor een dreigend kwaad.

Art. 484. Braak bestaat in het openbreken, stukbreken, beschadigen, afbreken of wegnemen van om het even welke in- of uitwendige sluiting van enig huis, gebouw, bouwwerk of aanhorigheden, van een vaartuig, een wagon, een voertuig; in het openbreken van gesloten kasten of meubels, bestemd om ter plaatse te blijven en om de daarin besloten voorwerpen te beveiligen.

Art. 485. Met diefstal door middel van braak worden gelijkgesteld : Het wegnemen van de meubels waarvan sprake in het vorige artikel; De diefstal gepleegd met zegelverbreking.

Art. 486. Inklimming wordt genoemd : Het binnenkomen over muren, deuren, daken of om het even welke andere afsluiting, in huizen, gebouwen, binnenplaatsen, neerhoven, bouwwerken van welke aard ook, tuinen, parken, besloten erven; Het binnenkomen door een ondergrondse opening die niet gemaakt is om tot toegang te dienen.

Art. 487. Valse sleutels worden genoemd : Alle haken, opstekers, lopers, nagebootste, nagemaakte of vervalste sleutels; Sleutels die door de eigenaar, huurder, logementhouder, of kamerverhuurder niet bestemd zijn voor de sloten, hangsloten of voor welk sluitwerk ook, waartoe de schuldige ze gebruikt; Verloren, zoekgeraakte of weggenomen sleutels die tot het plegen van de diefstal dienen. Evenwel is het gebruik van valse sleutels alleen dan een verzwarende omstandigheid, wanneer zij dienen om voorwerpen te openen, waarvan de braak een verzwaring van straf ten gevolge zou hebben.

Art. 487bis. Onder kernmateriaal wordt verstaan plutonium, met uitzondering van plutonium waarvan de isotoopconcentratie aan plutonium – 238 hoger is dan 80 %; uranium – 233; uranium, verrijkt in de isotopen 235 of 233; uranium, bestaande uit een mengsel van isotopen, zoals deze in de natuur voorkomen anders dan in de vorm van erts of ertsresidu, en elke stof die een of meer van de hierboven genoemde isotopen bevat.

BIJZONDERE BEPALING. Art. 488. Hij die bedrieglijk sleutels namaakt of vervalst, wordt veroordeeld tot gevangenisstraf van drie maanden tot twee jaar en tot geldboete van zesentwintig frank tot tweehonderd frank. Indien de schuldige slotenmaker van beroep is, wordt hij gestraft met gevangenisstraf van twee jaar tot vijf jaar en met geldboete van tweehonderd frank tot duizend frank.

HOOFDSTUK Ibis. – (EXTERNE BEVEILIGING VAN KERNMATERIAAL).  Art. 488bis.  § 1. Hij die opzettelijk en zonder vergunning, verleend door het bevoegd gezag, of niet op de voorwaarden daarin gesteld, zich kernmateriaal laat afgeven, dan wel zodanig materiaal verkrijgt, in zijn bezit houdt, gebruikt, verandert, afstaat, achterlaat, vervoert of verspreidt, wordt gestraft met opsluiting. § 2. De straf is dwangarbeid van tien jaar tot vijftien jaar, indien het strafbaar feit voor een ander heeft veroorzaakt : 1° hetzij een ongeneeslijk lijkende ziekte, een blijvende ongeschiktheid tot het verrichten van persoonlijke arbeid, het volledig verlies van het gebruik van een orgaan of een zware verminking; 2° de algemene of gedeeltelijke vernietiging van gebouwen, bruggen, dijken, straatwegen, spoorwegen, sluizen, magazijnen, werkplaatsen, loodsen, schepen, vaartuigen, vliegtuigen of andere kunstwerken of bouwwerken die aan een ander toebehoren. § 3. Indien het strafbaar feit, gepleegd zonder het oogmerk om te doden, toch de dood heeft veroorzaakt, wordt de schuldige gestraft met dwangarbeid van vijftien tot twintig jaar

 
This entry was posted in Geen categorie. Bookmark the permalink.

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s